Koud
Op
een dag wordt Klaasje Klungel wakker. Zoals elke dag kijkt hij eerst
…wat is dat nu? Klaasje kan niet naar buiten kijken. Er zit iets aan de
buitenkant voor het raam. Het is wit. Klaasje vliegt de trap af naar de
slaapkamer van zijn ouders. Zonder iets te zeggen gooit hij de
gordijnen open. Buiten is het helemaal wit. Wit van de verse sneeuw,
die ’s nachts is gevallen. Overal ligt een heel dik pak. ‘Doe
onmiddellijk het licht uit, het is nog veel te vroeg’, moppert zijn
vader slaperig. ‘Het licht is niet aan hoor’, zegt Klaasje. De witte
wereld van buiten geeft zoveel licht in de slaapkamer dat het net lijkt
alsof het licht aan is. Het raam bij zijn ouders staat open. Klaasje
steekt zijn hand naar buiten en kan zo twee handen vol met sneeuw van
het kozijn pakken. Hij gniffelt en loopt met de sneeuw naar het bed.
Dan gebeurt het. Hij laat de sneeuw boven op het gezicht van zijn vader
vallen. ‘Mwaaaahhhhh, wat is dat koud!’, schreeuwt hij uit. Zijn vader
slaat de sneeuw met zijn handen uit zijn gezicht en ziet dat Klaasje
hard staat te lachen. Is zijn vader nu boos of kan hij wel tegen een
grapje? ‘Lach
jij maar, ik krijg je nog wel!’ en tegelijkertijd stormt zijn vader uit
bed. Klaasje Klungel maakt zich uit de voeten en rent gillend de trap
af. Zijn vader rent achter hem aan. Klaasje verstopt zich in de
huiskamer achter het gordijn. Vader ziet hem niet. Met een lief
stemmetje zegt hij: ‘Klaasje, kom dan, ik heb een koekje voor je.’ Daar
trapt Klaasje natuurlijk niet in. Hij blijft stokstijf staan.
‘Klaaaaasje, ik heb een snoepje voor je.’ Klaasje reageert niet. Zijn
vader zoekt ondertussen overal. Achter de stoelen, onder de tafel,
achter de deur, in de gang en tussen de jassen. Hij kan Klaasje maar
niet vinden. Dan heeft Klaasjes vader een idee. Hij maakt Klaasje aan
het lachen! ‘Klaasje baasje, Klaasje baasje Sint Nicolaasje, waar ben
je nou? Klaasje zit in een vaasje met een kaasje, Klaasje is het
haasje, Klaasje poepedaasje …’ ‘Hahaha’, Klaasje kan het niet meer
houden en moet nu echt lachen. ‘Aha, daar zit je dus!’ Vader
komt met grote stappen op hem af. Hij plukt Klaasje zo van achter het
gordijn en gooit hem over zijn schouder. ‘Hellluuppp, mama, red mij’,
roept Klaasje lachend. Bungelend over de schouder wordt Klaasje
meegenomen naar de keuken. Wat gaat zijn vader doen? Toch niet onder de
kraan? Nee veel erger, want de deur naar de tuin wordt opengedaan.
Vader loopt zo in zijn pyjama, net als Klaasje Klungel, naar buiten. Daar
wordt Klaasje van de schouder afgegooid en belandt hij in een dik pak
verse sneeuw. ‘Oehoe, dat is koud’, roept Klaasje. ‘Koud? Dit is pas
koud!’ en zijn vader gooit nog een groot pak sneeuw over hem uit.
Klaasje pakt de sneeuw en maakt er een bal van. Die gooit hij naar zijn
vader die rustig wegloopt. ‘Hier, pak aan uilenbal’, roept Klaasje
brutaal. De sneeuwbal raakt zijn vader precies achter in zijn nek. In
één ruk draait zijn vader zich om en maakt ook een sneeuwbal. Klaasje
staat gauw op. Vader gooit de bal recht op Klaasje af en mist…
‘Mispoes’, zegt Klaasje uitdagend. Vader pakt weer een sneeuwbal en
Klaasje maakt er ook gauw één. Ze gooien tegelijkertijd naar elkaar.
‘Ahh mijn billen’, gilt Klaasje lachend. ‘Mijn neus’, roept zijn vader.
En weer gooien ze een sneeuwbal heen en weer. Ze voeren een
sneeuwballengevecht. Ze gooien wel tien ballen en dan zijn ze nog niet
klaar. Allebei zijn ze koppig en willen niet als eerste stoppen. ‘Nu
naar binnen jullie!’, roept de moeder van Klaasje streng. ‘Zijn jullie
gek geworden? In een pyjama buiten sneeuwballen gooien? Jullie worden
nog ziek!’ Klaasje en zijn vader zijn eigenlijk blij dat ze moeten
ophouden. Ze lopen allebei de keuken weer in. Binnen lijkt het
veel warmer dan zojuist. ‘Au, mijn handen,’ roept Klaasje, ‘ze doen
pijn.’ ‘Au mijn handen,’ roept vader, ’ze doen ook pijn van de
kou.’ ‘Hier hebben jullie wat warms.’ De moeder van Klaasje zet twee
warme koppen chocolademelk voor ze op tafel. Klaasje en vader warmen
allebei hun handen aan de warme kop. ‘Zullen we straks een iglo maken?’
‘Dat is toch een huis van eskimo’s?’, vraagt Klaasje. ‘Ja, dat klopt’,
zegt vader. ‘Dat gaan we doen!’ Na het ontbijt gaan Catootje en
Klaasje samen met hun vader en moeder aan de slag. Ze rollen grote
ballen sneeuw en stapelen die in het rond als stenen op elkaar. Ze
stapelen steeds een stukje meer naar binnen. Het is net vóór het
middageten als de muren elkaar boven hun hoofden raken. Het dak is
gesloten. De iglo is net een ronde bal. Er is een kleine opening om
naar binnen en buiten te gaan. Daar hangt mama een deken voor. Als
Klaasje, Catootje en vader in de iglo staan, komt moeder door de
ingang. Ze heeft de grote picknickmand bij zich met allemaal lekkere
dingen erin. ‘We gaan lunchen in de iglo!’, zegt de moeder van Klaasje.
‘Jaaaaaa’, roepen Klaasje en Catootje. Allemaal zitten ze op een
deken op de grond. Er zijn lekkere hapjes, blokjes kaas, pizzastukjes,
kopjes soep en zelfs een stuk taart. Ook hebben ze twee kaarsjes
aangestoken. Binnen in de iglo is het eigenlijk helemaal niet koud! De
hele dag spelen ze buiten en dan wordt het weer donker. Warm eten doen
ze weer thuis in de keuken. Ze eten erwtensoep. Klaasje vond het een
hele leuke dag. Na het eten kijken ze allemaal nog één keer in de
iglo en dan gaat Klaasje naar bed. Hij valt lekker in slaap. Die nacht
droomt hij dat een echte eskimo de volgende ochtend uit hun iglo komt
gekropen. ‘Ik heb heerlijk geslapen, maar het was wel een beetje warm’,
zegt de eskimo.
|